Creatief boekhouden! Het spreekt voor zich dat reintegratie-bedrijven en andere "taalaanbieders" in hun jacht op de honderden miljoenen inburgeringseuro's creatief boekhouden. Geld verdienen wint het al gauw van nobeler doelen wanneer die nobele doelen zoals onderwijs worden overgeheveld naar de private sector. Een heel verhelderende reportage op netwerk-tv gisteren. Vooral ook wat betreft de houding van de onvermoeibare positiva Vogelaar. Het is werkelijk niet te geloven dat zij zichzelf nog vertrouwt. Ze blijft er maar op hameren dat het nu allemaal snel goed zal komen en dat accountantsbedrijven binnenkort de fraude-plegende aanbieders van reintegratiecursussen aan de schandpaal zullen spijkeren. Vogelaar wil liever niet dat in de publieke opinie iets doorklinkt van de huidige praktijk: lege leslokalen plus gesjoemel met af te leggen inburgeringsexamens. De beelden van de leslokalen in het filmpje waren schokkend, de interviews met directeuren van aanbieders van cursussen eveneens. Aan het eind van het programma wordt het wel heel duidelijk hoe Vogelaar denkt en doet: de interviewer vraagt aan de Haagse (allochtone) wethouder die naast de minister staat of het in Den Haag ook voorkomt, dat gedoe met die lege leslokalen en de rommelende aanbieders. Voordat die brave borst van een wethouder ( Den Haag is een stad waar enkele tienduizenden(!) kandidaten wonen voor de bedoelde inburgeringscursussen) een kans krijgt om te antwoorden, grijpt Vogelaar de microfoon. De wethouder kijkt beduusd, en de minister verklaart dat er werkelijk opgetreden zal worden. De wethouder komt niet meer aan het woord...voor spek en bonen is hij voor de camera gesleept. De arrogantie van de macht... Dat gesjoemel: daarmee zijn de ROC's (volwasseneducatie) in de loop der jaren eigenlijk groot geworden. Daar was het al jaren een genante vertoning hoe op creatieve wijze de presentielijsten werden ingevuld, door mijzelf incluis. Daar was het al heel lang even genant om te ervaren hoe je cursisten moest toetsen aan het eind van de inburgeringscursus. Absenten moesten zo voorzichtig mogelijk benaderd worden...en dat is echt heel voorzichtig...met veel begrip...en aan het eind van de cursus moest je dan als docent met de natte vinger een aanwezigheidsverklaring (destijds 80%) ondertekenen. Deed je dat niet, dan wist je dat de cursist vervelende post kon krijgen van de gemeente, sociale dienst of welke nare instantie dan ook... Nou, dat soort post gun je niemand. Er waren dus allerlei mechanismes om de boekhouding kloppend te krijgen. De vaak volstrekt zinloze, want veel te moeilijke examens (profieltoetsen) die werden afgenomen werden alleen afgenomen, omdat, net als nu, bij een uitslag van een examen de cursist een handtekening kon zetten. Dan was hij of zij immers op school, althans opgetrommeld. Door die handtekening verklaarde de cursist dat hij of zij de cursus volgens de eisen van de (toenmalige) wet had afgerond...en na die handtekening kon de school geld vangen voor de cursist. Het ging dan om een bedrag van 5000 euro per cursist per jaar. ( zo duur is het ongeveer). Misschien blijkt er nu dus inderdaad niet zoveel veranderd, alleen dat de klassen kennelijk leger zijn geworden dan ze al waren. En dat de ROC's hun monopoliesituatie zijn kwijtgeraakt ten gunste van de nieuwe "aanbieders". En dat de nt2-docenten hun arbeidsvoorwaarden hebben zien verslechteren tot een schrikbarend niveau, waarop zij geen zelfstandig financiëel bestaan kunnen opbouwen. Wat dat laatste betreft is er misschien hoop: omdat de aanbieders ook worden afgerekend op het slagingspercentage van hun cursisten, en omdat een deel van het examen binnen de muren van de school door eigen docenten kan worden afgenomen zit er in het decentrale deel van het examen een aardige mogelijkheid tot fraude, lees omkoping. Je kunt het zo gek niet bedenken, of het is werkelijk mogelijk in het moderne inburgeringsonderwijs... En uiteindelijk wordt ook mevrouw Vogelaar straks afgerekend op het slagingspercentage van de verplichte en behoeftige inburgeraars. Zo lijkt de cirkel rond en komt iedereen tot elkaar. De parlementaire enquete komt dan later...
zie ook www.bvnt2.org, dd 12-12-2007
dinsdag 11 december 2007
woensdag 5 december 2007
inburgeren anno 2007: lege lokalen
Het gaat op dit moment niet goed met de inburgeringscursussen in Nederland. De klassen zijn leeg, docenten worden ontslagen. Het vreemde is dat er juist ook nu honderden miljoenen euro's op de plank liggen om die inburgeringscursussen te verzorgen. Er is dus geen gebrek aan geld en er lopen veel docenten rond die zelfs op basis van slechte, tijdelijke, freelance arbeidsvoorwaarden aan de slag zouden willen. Maar ja, zonder leerlingen is het moeilijk lesgeven.
Deze week, op 3 december, was er een manifestatie in Rotterdam, georganiseerd door minister Vogelaar. Daar luidde de algemene toon: ja, is helemaal waar, het gaat niet goed nu, maar vanaf vandaag gaat het allemaal beter worden.
De achterliggende gedachte is dat veel mensen (250.000-500.000) een inburgeringsachterstand hebben. Dat zijn voor het grootste deel mensen die de afgelopen jaren in Nederland zijn komen wonen. Bedoeld worden met name niet-westerse volwassen immigranten. Daarnaast blijft de instroom van nieuwkomers doorgaan, zodat ook dezen een achterstand kunnen oplopen als hen niet snel een cursus wordt aangeboden. Ook in dat geval wordt traditioneel meestal gedacht aan niet-westerse immigranten, maar er wordt ondertussen steeds vaker gefluisterd dat ook de nieuwe immigranten uit Oost-Europa in aanmerking zouden moeten kunnen komen voor een (verplichte) inburgeringscursus. Kortom aan mogelijke cursisten geen gebrek, niet nu en ook niet in de toekomst.
Er is dus heel wat mis met al die miljoenen die ergens liggen te wachten om uitgegeven te worden. Ergens hapert er kennelijk iets in de bureaucratische molen. Het zal tezijnertijd wel leiden tot een parlementaire enquete. Want hoe kan dat nu? En waar blijft al dat geld?
Op de manifestatie waren vooral veel gemeentelijke en landelijke ambtenaren aanwezig, bestuurders en bureaucraten. Daarnaast waren er veel vertegenwoordigers van reïntegrateiebedrijven en andere instituten die inburgeringscursussen (willen) ontwikkelen dan wel aanbieden. Het wemelt inmiddels van de inburgeringsbedrijfjes. Ze staan te popelen om de klaarliggende miljoenen te incasseren in ruil voor de te leveren diensten. Maar als de inburgeringsgelden niet binnen afzienbare termijn werkelijk worden gespendeerd, lopen deze bedrijven gevaar dat zij hun gedane investeringen als weggegooid geld zullen moeten afboeken en zich met ander werk moeten gaan bezighouden.
Tot voor kort (zomer 2007) werden inburgeringscursussen op basis van een monopoliepositie georganiseerd door regionale opleidingscentra (ROC's), bijna alle inburgeringsgelden vonden daarheen hun weg. Maar ook de ROC's krijgen nu nauwelijks leerlingen binnen hun muren: er worden docenten ontslagen. De afgelopen twee jaren zijn al op grote schaal NT2-docenten gedwongen overgeplaatst naar andere ROC-afdelingen.
De enigen die tot op heden lijken te profiteren van de enorme geldstromen zijn de ambtenaren die de registratie van de honderdduizenden mogelijke cursisten verzorgen. Daar wordt veel tijd aan besteed. De inburgeringsplichtigen worden opgeroepen, moeten een liefst zo uitgebreid mogelijk intakegesprek voeren en zouden vervolgens in een schoolbank terecht moeten komen. En daar gaat het fout.
Zou het kunnen zijn dat al die cursisten er gewoon geen zin in hebben? Ja, dat kan. Het klinkt niet erg aardig, het is geen sociaal wenselijk antwoord, maar ik denk dat dit heel goed mogelijk is.
Al die ambtenaren kunnen het zich vast niet goed voorstellen, maar de meeste kandidaten voor deze cursussen zijn gewone mensen die zich liever niet zo stipt de wet laten voorschrijven. Mensen die liever hun eigen verantwoordelijkheid bewaren, mensen die hun gezonde buik vol hebben van de ongebreidelde bemoeizucht van een betuttelende overheid: inburgeren, hoezo....
Mensen willen misschien meedoen, zij het op hun eigen manier. In wezen komt iedereen naar Nederland omdat het hier beter is dan waar men vandaan gekomen is... En als je iets wilt bereiken, vereist dat een bepaalde vorm van meedoen.
Dat immigranten de taal moeten beheersen als zij in Nederland iets willen bereiken, daarvan is eigenlijk iedereen doordrongen. Ik ben deze categorie van immigranten tegengekomen vanaf 1974, toen ik mijn eerste lessen Nederlands gaf aan gastarbeiders. En dat ene besef leefde bij iedereen zonder uitzondering. Toen en nu. Gelukkig zijn de leermiddelen erg verbeterd.
Maar om bij een inburgeringsexamen vragen voorgeschoteld te krijgen als: is homoseksualiteit strafbaar? of hoe lang duurde de oorlog tegen Spanje? ... dat schiet helemaal in het verkeerde keelgat. Je kunt immigranten wel een taalcursus aanbieden, maar naar de rest heeft nooit iemand gevraagd.
De vraag blijft nog even liggen: waarom blijven die lokalen leeg?
Het is echt te simpel om de bureaucratie de schuld te geven, of Verdonk, of Vogelaar.
Het was te voorzien dat de invoering van een nieuwe wet inburgering, gepaard aan de nieuwe verplichting om te slagen voor een examen, moeilijkheden met zich mee zou brengen. Maar dat het gevolg zou zijn dat met onmiddellijke ingang de lokalen leeg zouden blijven had niemand voorzien.
De gemeenten beschikken kennelijk niet over de middelen om de door hen gesorteerde kandidaten voor de inburgeringscursussen ook werkelijk fysiek de klas in te krijgen.
Waarschijnlijk gaat het om een groep waarvan velen werken, zij het niet altijd helemaal legaal. Van degenen die niet werken zijn er vervolgens velen moeder met kind(eren), voor wie door de meeste aanbieders van inburgeringscursussen geen kinderopvang wordt gerealiseerd. Of er zijn zieken, ouderen, of mensen die om andere redenen op dit moment verhinderd zijn om op de geenste uren in de schoolbanken te verschijnen. Je zou kunnen zeggen dat die redenen niet helemaal geldig zijn, want nogal vergezocht: als je werkelijk iets zou willen, dan vind je immers vast en zeker een oplossing.
Dus er moet nog een reden zijn.
Inburgeringsplichtigen hebben drie en half jaar de tijd om het examen te halen. In de praktijk is daarvan eigenlijk het eerste jaar nu bijna verstreken. (zonder veel resultaat). De meeste inburgeringsplichtigen wachten nu af. Als zij zouden zakken voor het inburgeringsexamen ( en dat is voor meer dan de helft van de kandidaten een reële optie), bestaat de kans dat de cursuskosten verhaald worden. Nou, gekke henkie, denken deze inburgeringsplichtigen dan natuurlijk: ik probeer voorlopig wel onder dat examen uit te komen, want als ik zak, en die kans is groot, dan moet ik misschien enkele duizenden euro's betalen. De inburgeringsplichtigen reageren dus erg menselijk. Het is natuurlijk niet zeker of zij het cursusgeld in werkelijkheid zullen moeten betalen (je kunt bijvoorbeeld van een kale kip weinig plukken), maar volgens de huidige formuleringen komt het erop neer, dat de gemeenten de eventuele kosten KUNNEN verhalen op zakkende inburgeraars. Deze onduidelijkheid stimuleert natuurlijk niet echt...
Deze week, op 3 december, was er een manifestatie in Rotterdam, georganiseerd door minister Vogelaar. Daar luidde de algemene toon: ja, is helemaal waar, het gaat niet goed nu, maar vanaf vandaag gaat het allemaal beter worden.
De achterliggende gedachte is dat veel mensen (250.000-500.000) een inburgeringsachterstand hebben. Dat zijn voor het grootste deel mensen die de afgelopen jaren in Nederland zijn komen wonen. Bedoeld worden met name niet-westerse volwassen immigranten. Daarnaast blijft de instroom van nieuwkomers doorgaan, zodat ook dezen een achterstand kunnen oplopen als hen niet snel een cursus wordt aangeboden. Ook in dat geval wordt traditioneel meestal gedacht aan niet-westerse immigranten, maar er wordt ondertussen steeds vaker gefluisterd dat ook de nieuwe immigranten uit Oost-Europa in aanmerking zouden moeten kunnen komen voor een (verplichte) inburgeringscursus. Kortom aan mogelijke cursisten geen gebrek, niet nu en ook niet in de toekomst.
Er is dus heel wat mis met al die miljoenen die ergens liggen te wachten om uitgegeven te worden. Ergens hapert er kennelijk iets in de bureaucratische molen. Het zal tezijnertijd wel leiden tot een parlementaire enquete. Want hoe kan dat nu? En waar blijft al dat geld?
Op de manifestatie waren vooral veel gemeentelijke en landelijke ambtenaren aanwezig, bestuurders en bureaucraten. Daarnaast waren er veel vertegenwoordigers van reïntegrateiebedrijven en andere instituten die inburgeringscursussen (willen) ontwikkelen dan wel aanbieden. Het wemelt inmiddels van de inburgeringsbedrijfjes. Ze staan te popelen om de klaarliggende miljoenen te incasseren in ruil voor de te leveren diensten. Maar als de inburgeringsgelden niet binnen afzienbare termijn werkelijk worden gespendeerd, lopen deze bedrijven gevaar dat zij hun gedane investeringen als weggegooid geld zullen moeten afboeken en zich met ander werk moeten gaan bezighouden.
Tot voor kort (zomer 2007) werden inburgeringscursussen op basis van een monopoliepositie georganiseerd door regionale opleidingscentra (ROC's), bijna alle inburgeringsgelden vonden daarheen hun weg. Maar ook de ROC's krijgen nu nauwelijks leerlingen binnen hun muren: er worden docenten ontslagen. De afgelopen twee jaren zijn al op grote schaal NT2-docenten gedwongen overgeplaatst naar andere ROC-afdelingen.
De enigen die tot op heden lijken te profiteren van de enorme geldstromen zijn de ambtenaren die de registratie van de honderdduizenden mogelijke cursisten verzorgen. Daar wordt veel tijd aan besteed. De inburgeringsplichtigen worden opgeroepen, moeten een liefst zo uitgebreid mogelijk intakegesprek voeren en zouden vervolgens in een schoolbank terecht moeten komen. En daar gaat het fout.
Zou het kunnen zijn dat al die cursisten er gewoon geen zin in hebben? Ja, dat kan. Het klinkt niet erg aardig, het is geen sociaal wenselijk antwoord, maar ik denk dat dit heel goed mogelijk is.
Al die ambtenaren kunnen het zich vast niet goed voorstellen, maar de meeste kandidaten voor deze cursussen zijn gewone mensen die zich liever niet zo stipt de wet laten voorschrijven. Mensen die liever hun eigen verantwoordelijkheid bewaren, mensen die hun gezonde buik vol hebben van de ongebreidelde bemoeizucht van een betuttelende overheid: inburgeren, hoezo....
Mensen willen misschien meedoen, zij het op hun eigen manier. In wezen komt iedereen naar Nederland omdat het hier beter is dan waar men vandaan gekomen is... En als je iets wilt bereiken, vereist dat een bepaalde vorm van meedoen.
Dat immigranten de taal moeten beheersen als zij in Nederland iets willen bereiken, daarvan is eigenlijk iedereen doordrongen. Ik ben deze categorie van immigranten tegengekomen vanaf 1974, toen ik mijn eerste lessen Nederlands gaf aan gastarbeiders. En dat ene besef leefde bij iedereen zonder uitzondering. Toen en nu. Gelukkig zijn de leermiddelen erg verbeterd.
Maar om bij een inburgeringsexamen vragen voorgeschoteld te krijgen als: is homoseksualiteit strafbaar? of hoe lang duurde de oorlog tegen Spanje? ... dat schiet helemaal in het verkeerde keelgat. Je kunt immigranten wel een taalcursus aanbieden, maar naar de rest heeft nooit iemand gevraagd.
De vraag blijft nog even liggen: waarom blijven die lokalen leeg?
Het is echt te simpel om de bureaucratie de schuld te geven, of Verdonk, of Vogelaar.
Het was te voorzien dat de invoering van een nieuwe wet inburgering, gepaard aan de nieuwe verplichting om te slagen voor een examen, moeilijkheden met zich mee zou brengen. Maar dat het gevolg zou zijn dat met onmiddellijke ingang de lokalen leeg zouden blijven had niemand voorzien.
De gemeenten beschikken kennelijk niet over de middelen om de door hen gesorteerde kandidaten voor de inburgeringscursussen ook werkelijk fysiek de klas in te krijgen.
Waarschijnlijk gaat het om een groep waarvan velen werken, zij het niet altijd helemaal legaal. Van degenen die niet werken zijn er vervolgens velen moeder met kind(eren), voor wie door de meeste aanbieders van inburgeringscursussen geen kinderopvang wordt gerealiseerd. Of er zijn zieken, ouderen, of mensen die om andere redenen op dit moment verhinderd zijn om op de geenste uren in de schoolbanken te verschijnen. Je zou kunnen zeggen dat die redenen niet helemaal geldig zijn, want nogal vergezocht: als je werkelijk iets zou willen, dan vind je immers vast en zeker een oplossing.
Dus er moet nog een reden zijn.
Inburgeringsplichtigen hebben drie en half jaar de tijd om het examen te halen. In de praktijk is daarvan eigenlijk het eerste jaar nu bijna verstreken. (zonder veel resultaat). De meeste inburgeringsplichtigen wachten nu af. Als zij zouden zakken voor het inburgeringsexamen ( en dat is voor meer dan de helft van de kandidaten een reële optie), bestaat de kans dat de cursuskosten verhaald worden. Nou, gekke henkie, denken deze inburgeringsplichtigen dan natuurlijk: ik probeer voorlopig wel onder dat examen uit te komen, want als ik zak, en die kans is groot, dan moet ik misschien enkele duizenden euro's betalen. De inburgeringsplichtigen reageren dus erg menselijk. Het is natuurlijk niet zeker of zij het cursusgeld in werkelijkheid zullen moeten betalen (je kunt bijvoorbeeld van een kale kip weinig plukken), maar volgens de huidige formuleringen komt het erop neer, dat de gemeenten de eventuele kosten KUNNEN verhalen op zakkende inburgeraars. Deze onduidelijkheid stimuleert natuurlijk niet echt...
begeleiding basisexamen inburgering
Wil je weten hoe je partner ( en jij) zich kan (kunnen) voorbereiden op het basisexamen inburgering? Neem dan contact met me op. Ik ben goed op de hoogte en wil je graag helpen.
basisexamen inburgering, slagingsnorm
Minister Vogelaar heeft op 28 november een brief gepubliceerd met een voorstel tot aanpassing van de zak/slaag-grens voor het basisexamen inburgering. Dit examen is een soort toelatingsexamen voor buitenlanders die zich in Nederland willen gaan verstigen.
Vogelaar wil het moeilijker maken voor buitenlanders om dit examen te kunnen halen. Ze heeft onderzoek laten doen naar de huidige normering en naar mogelijkheden om die normering aan te passen. Het gaat daarbij om het onderdeel Toets Gesproken Nederlands, één van de twee onderdelen van het basisexamen.
Samengevat kan zeggen dat de verschillende onderzoekers (TNO en RCEC) niet goed weten hoe zij de huidige normering moeten beoordelen, en eventueel zouden moeten aanpassen, omdat zij geen toegang hebben tot (geheime) bedrijfsgegevens die ten grondslag liggen aan de huidige beoordeling. Voor de beoordeling van examenkandidaten wordt gebruik gemaakt van een computer en een in de computer (aan de toets gekoppeld) geprogrammeerd beoordelingsmodel. Voor een deel van de opdrachten ( zinnen moeten worden nagezegd) worden door de computer per zinnetje punten uitgedeeld. Voor andere delen van de toets wordt op een dichotome wijze geoordeeld: daar wordt gezegd goed/fout, herkenbaar/onherkenbaar, bijvoorbeeld bij het noemen van het aantal poten onder een stoel, of bij het noemen van een tegenstelling ( goed-slecht/fout). Die laatste dichotoom beoordeelde categorie items levert niet geen groot probleem op. Maar de nazegzinnen zijn voor allen die dit examen willen onderzoeken veel problematischer.
De resonansgroep, die in de aanloopperiode van het basisexamen inburgering bestond, is uiteindelijk stukgelopen, uiteengespat en opgeheven vanwege de vele vraagtekens met betrekking tot de beoordelingsmethodiek. Ook deze resonansgroep (een groep wetenschappers) kreeg geen informatie over de manier waarop punten konden worden gescoord voor de TGN. Daarnaast had de resonansgroep, net als later TGN en RCEC, kritiek op het überhaupt moeilijk meetbare A1-min niveau (zo laag dat het eigenlijk niet goed te beoordelen is) en op tal van andere punten.
Na de resonansgroep heeft het TNO zich proberen te ontfermen over de evaluatie van de TGN. Daarbij speelde opnieuw de geheime beoordelingsmethodiek een belangrijke rol.
TNO ontwikkelde zelf een alternatief model en heeft uiteindelijk ook de nazegzinnen willen beoordelen volgens een goed/fout, dan wel herkenbaar/onherkenbaar model. Op die manier komen zij tot een overzichtelijke mogelijkheid ter beoordeling: ze willen de goede/foute nazegzinnen percentueel vastleggen, net als het aantal goedgenoemde tegenstellingen en goede antwoorden op korte vragen. Dat houdt een enorme versimpeling van het examenbeoordelingsmodel in. De computer die het examen beoordeelt bekijkt niet of een zinnetje globaal goed of fout is, maar telt het aantal woorden per zin, telt het aantal goede en foute woorden per zin, geeft meer punten aan lange zinnen dan aan korte, geeft misschien hier en daar bonuspunten voor lange woorden, samengestelde woorden, en goede woordvolgorde … wie zal het zeggen… Deze nauwkeurig geprogrammeerde beoordelingsmethodiek is het geheim van de makers en huidige uitvoerders van het examen. Het bedrijfsgeheim wordt beschermd wegens grote financiële belangen: het product TGN kan de komende jaren een omzet genereren van 20 tot 30 miljoen euro per jaar. Als zou blijken dat het toelatingsexamen naar tevredenheid werkt, wordt dezelfde toets ook in Denemarken, Oostenrijk en mogelijk tal van andere Europese landen ingevoerd, zodat de financiële belangen nog vele malen groter worden.
De versimpelde beoordelingsmethodiek die is ontwikkeld door TNO, is bij blijvend gebrek aan toegang tot de geheime methodiek van CINOP/ORDINATE opnieuw gebruikt door RCEC, (onderzoeker P.F. Sanders). Ook RCEC vraagt in haar advies bovenal om het beschikbaar stellen van de nog steeds geheime data.
In de brief van Vogelaar van 28 november 2007 worden enkele zeer interessante feiten duidelijk.
In de eerste plaats blijkt dat het CINOP, dat vanuit Nederland verantwoordelijk is voor het reilen en zeilen van het basisexamen inburgering nog steeds overhoop ligt en komt te liggen met instellingen die proberen om de TGN aan een verantwoorde evaluatie te onderwerpen. Het CINOP maakt haar standpunt trouwens niet zelf publiekelijk en treedt alleen naar buiten via uitingen van de minister. Het CINOP reageert kennelijk liever niet zelfstandig in het openbaar. In de brief van Vogelaar wordt melding gemaakt van de wenselijkheid om “tot een weloverwogen en gedeelde onderzoeksopzet” te komen. Dit betekent niets anders dan dat tot op heden het CINOP niet heeft willen meewerken aan de onderzoeken die achtereenvolgens de resonansgroep, TNO en RCEC hebben proberen te doen. Het CINOP voelt zich verplicht aan het bedrijfsgeheim. Bovendien zou de betrouwbaarheid van de TGN een genadeloze deuk kunnen krijgen als de beoordelingsmethodiek echt openbaar wordt.
Voor een definitieve aanpassing van de zak/slaag-grens moeten nog heel wat bergen verzet worden. Voor het gemak heeft de minster maar weer eens een zoveelste onderzoek aangekondigd…
Omdat de minister kennelijk aan voelt komen dat het (door de hardnekkige geheimhouding van de beoordelingsmethodiek) wel eens heel moeilijk of onmogelijk kan worden om de TGN op A1-minniveau (huidige norm ligt bij 16 punten, op een schaal tussen 10-80 punten) te handhaven, stelt zij voor dit moeilijk meetbare A1-minniveau in de toekomst eigenlijk buiten de orde te verklaren. Zij suggereert dat het niveau van het basisexamen inburgering van A1-min naar A1 zou kunnen worden opgeschroefd. Als dat gebeurt, hoeft het CINOP voorlopig geen openbaarheid van data te geven, want het politieke doel ( analfabete en laagopgeleide buitenlanders aan de grens tegenhouden) lijkt dan makkelijk haalbaar: het niveau A1 vereist een TGN-score van 26 punten en zal een grotere kans opleveren om de “politiek gewenste” 25% buitenlanders tegen te houden. (Het aantal zakkers ligt momenteel op 8-9%). Alles lijkt dan een stuk makkelijker te worden. Maar als die grensverlegging zal worden doorgevoerd, zal blijken dat Vogelaar veel is gegaan zijn dan Verdonk in haar stoutste dromen had gedurfd.
Heel gek is voorts de overweging van RCEC, dat het basisexamen inburgering eigenlijk zo opgesteld zou moeten zijn dat het aantal zakkers (25%) min of meer gelijk zou moeten zijn aan het aantal zakkers bij examens in het voortgezet onderwijs (RCEC suggereert dat dit ook op 25% ligt). Heel gek: want hoezo zou je die categorieën moeten of kunnen vergelijken? En klopt die suggestie van 25% zakkers in het V.O. überhaupt?).
In de brief van Vogelaar worden de nazegzinnen en de woordvragen genoemd, maar niet de tegenstellingen. Dat is heel opmerkelijk, maar misschien is ze ze gewoon vergeten. Het zou wel erg slordig zijn, dat wel.
Uit de brief blijkt overigens overduidelijk dat het CINOP niet gaat meewerken aan de voorgestelde oplossingen om te gaan sleutelen aan de grens voor A1-min. CINOP stelt dat ook voor de voorgestelde tussenoplossing nader onderzoek nodig is en ook daaraan werken zij dus niet mee. Omdat het CINOP kennelijk ook aan een tussenoplossing niet kan en/of wil meewerken, kondigt de minister haar tussenoplossing eenzijdig af. Die houdt dan in dat meer punten moeten worden gescoord (betere antwoorden, meer goede antwoorden) door de kandidaten om aan de 16-puntengrens te komen. De reden dat CINOP niet meewerkt aan deze tussenoplossing is waarschijnlijk dat deze verandering niet wetenschappelijk onderbouwd is, en dat het CINOP liever het ordinaire, vuile, politieke nattevingerwerk in dit geval voor rekening van de minister wil laten komen.
Voor de minister is de wetenschappelijke verantwoording ondergeschikt aan haar (politieke?) belang. De ingreep van Vogelaar heeft tot gevolg dat ook de norm voor niveau A2, van belang voor het inburgeringsexamen in Nederland, op dezelfde onwetenschappelijke manier ietwat wordt opgeschroefd. Maar in de brief wordt ook duidelijk gesteld dat de minister toegeeft dat zij niet kan overzien welke consequenties haar maatregel zullen hebben: het is niet te voorspellen hoe de percentages zakkers/slagers zullen veranderen…
De vorm en de inhoud van het examen blijven ongewijzigd.
Adap, 2 december 2007
Vogelaar wil het moeilijker maken voor buitenlanders om dit examen te kunnen halen. Ze heeft onderzoek laten doen naar de huidige normering en naar mogelijkheden om die normering aan te passen. Het gaat daarbij om het onderdeel Toets Gesproken Nederlands, één van de twee onderdelen van het basisexamen.
Samengevat kan zeggen dat de verschillende onderzoekers (TNO en RCEC) niet goed weten hoe zij de huidige normering moeten beoordelen, en eventueel zouden moeten aanpassen, omdat zij geen toegang hebben tot (geheime) bedrijfsgegevens die ten grondslag liggen aan de huidige beoordeling. Voor de beoordeling van examenkandidaten wordt gebruik gemaakt van een computer en een in de computer (aan de toets gekoppeld) geprogrammeerd beoordelingsmodel. Voor een deel van de opdrachten ( zinnen moeten worden nagezegd) worden door de computer per zinnetje punten uitgedeeld. Voor andere delen van de toets wordt op een dichotome wijze geoordeeld: daar wordt gezegd goed/fout, herkenbaar/onherkenbaar, bijvoorbeeld bij het noemen van het aantal poten onder een stoel, of bij het noemen van een tegenstelling ( goed-slecht/fout). Die laatste dichotoom beoordeelde categorie items levert niet geen groot probleem op. Maar de nazegzinnen zijn voor allen die dit examen willen onderzoeken veel problematischer.
De resonansgroep, die in de aanloopperiode van het basisexamen inburgering bestond, is uiteindelijk stukgelopen, uiteengespat en opgeheven vanwege de vele vraagtekens met betrekking tot de beoordelingsmethodiek. Ook deze resonansgroep (een groep wetenschappers) kreeg geen informatie over de manier waarop punten konden worden gescoord voor de TGN. Daarnaast had de resonansgroep, net als later TGN en RCEC, kritiek op het überhaupt moeilijk meetbare A1-min niveau (zo laag dat het eigenlijk niet goed te beoordelen is) en op tal van andere punten.
Na de resonansgroep heeft het TNO zich proberen te ontfermen over de evaluatie van de TGN. Daarbij speelde opnieuw de geheime beoordelingsmethodiek een belangrijke rol.
TNO ontwikkelde zelf een alternatief model en heeft uiteindelijk ook de nazegzinnen willen beoordelen volgens een goed/fout, dan wel herkenbaar/onherkenbaar model. Op die manier komen zij tot een overzichtelijke mogelijkheid ter beoordeling: ze willen de goede/foute nazegzinnen percentueel vastleggen, net als het aantal goedgenoemde tegenstellingen en goede antwoorden op korte vragen. Dat houdt een enorme versimpeling van het examenbeoordelingsmodel in. De computer die het examen beoordeelt bekijkt niet of een zinnetje globaal goed of fout is, maar telt het aantal woorden per zin, telt het aantal goede en foute woorden per zin, geeft meer punten aan lange zinnen dan aan korte, geeft misschien hier en daar bonuspunten voor lange woorden, samengestelde woorden, en goede woordvolgorde … wie zal het zeggen… Deze nauwkeurig geprogrammeerde beoordelingsmethodiek is het geheim van de makers en huidige uitvoerders van het examen. Het bedrijfsgeheim wordt beschermd wegens grote financiële belangen: het product TGN kan de komende jaren een omzet genereren van 20 tot 30 miljoen euro per jaar. Als zou blijken dat het toelatingsexamen naar tevredenheid werkt, wordt dezelfde toets ook in Denemarken, Oostenrijk en mogelijk tal van andere Europese landen ingevoerd, zodat de financiële belangen nog vele malen groter worden.
De versimpelde beoordelingsmethodiek die is ontwikkeld door TNO, is bij blijvend gebrek aan toegang tot de geheime methodiek van CINOP/ORDINATE opnieuw gebruikt door RCEC, (onderzoeker P.F. Sanders). Ook RCEC vraagt in haar advies bovenal om het beschikbaar stellen van de nog steeds geheime data.
In de brief van Vogelaar van 28 november 2007 worden enkele zeer interessante feiten duidelijk.
In de eerste plaats blijkt dat het CINOP, dat vanuit Nederland verantwoordelijk is voor het reilen en zeilen van het basisexamen inburgering nog steeds overhoop ligt en komt te liggen met instellingen die proberen om de TGN aan een verantwoorde evaluatie te onderwerpen. Het CINOP maakt haar standpunt trouwens niet zelf publiekelijk en treedt alleen naar buiten via uitingen van de minister. Het CINOP reageert kennelijk liever niet zelfstandig in het openbaar. In de brief van Vogelaar wordt melding gemaakt van de wenselijkheid om “tot een weloverwogen en gedeelde onderzoeksopzet” te komen. Dit betekent niets anders dan dat tot op heden het CINOP niet heeft willen meewerken aan de onderzoeken die achtereenvolgens de resonansgroep, TNO en RCEC hebben proberen te doen. Het CINOP voelt zich verplicht aan het bedrijfsgeheim. Bovendien zou de betrouwbaarheid van de TGN een genadeloze deuk kunnen krijgen als de beoordelingsmethodiek echt openbaar wordt.
Voor een definitieve aanpassing van de zak/slaag-grens moeten nog heel wat bergen verzet worden. Voor het gemak heeft de minster maar weer eens een zoveelste onderzoek aangekondigd…
Omdat de minister kennelijk aan voelt komen dat het (door de hardnekkige geheimhouding van de beoordelingsmethodiek) wel eens heel moeilijk of onmogelijk kan worden om de TGN op A1-minniveau (huidige norm ligt bij 16 punten, op een schaal tussen 10-80 punten) te handhaven, stelt zij voor dit moeilijk meetbare A1-minniveau in de toekomst eigenlijk buiten de orde te verklaren. Zij suggereert dat het niveau van het basisexamen inburgering van A1-min naar A1 zou kunnen worden opgeschroefd. Als dat gebeurt, hoeft het CINOP voorlopig geen openbaarheid van data te geven, want het politieke doel ( analfabete en laagopgeleide buitenlanders aan de grens tegenhouden) lijkt dan makkelijk haalbaar: het niveau A1 vereist een TGN-score van 26 punten en zal een grotere kans opleveren om de “politiek gewenste” 25% buitenlanders tegen te houden. (Het aantal zakkers ligt momenteel op 8-9%). Alles lijkt dan een stuk makkelijker te worden. Maar als die grensverlegging zal worden doorgevoerd, zal blijken dat Vogelaar veel is gegaan zijn dan Verdonk in haar stoutste dromen had gedurfd.
Heel gek is voorts de overweging van RCEC, dat het basisexamen inburgering eigenlijk zo opgesteld zou moeten zijn dat het aantal zakkers (25%) min of meer gelijk zou moeten zijn aan het aantal zakkers bij examens in het voortgezet onderwijs (RCEC suggereert dat dit ook op 25% ligt). Heel gek: want hoezo zou je die categorieën moeten of kunnen vergelijken? En klopt die suggestie van 25% zakkers in het V.O. überhaupt?).
In de brief van Vogelaar worden de nazegzinnen en de woordvragen genoemd, maar niet de tegenstellingen. Dat is heel opmerkelijk, maar misschien is ze ze gewoon vergeten. Het zou wel erg slordig zijn, dat wel.
Uit de brief blijkt overigens overduidelijk dat het CINOP niet gaat meewerken aan de voorgestelde oplossingen om te gaan sleutelen aan de grens voor A1-min. CINOP stelt dat ook voor de voorgestelde tussenoplossing nader onderzoek nodig is en ook daaraan werken zij dus niet mee. Omdat het CINOP kennelijk ook aan een tussenoplossing niet kan en/of wil meewerken, kondigt de minister haar tussenoplossing eenzijdig af. Die houdt dan in dat meer punten moeten worden gescoord (betere antwoorden, meer goede antwoorden) door de kandidaten om aan de 16-puntengrens te komen. De reden dat CINOP niet meewerkt aan deze tussenoplossing is waarschijnlijk dat deze verandering niet wetenschappelijk onderbouwd is, en dat het CINOP liever het ordinaire, vuile, politieke nattevingerwerk in dit geval voor rekening van de minister wil laten komen.
Voor de minister is de wetenschappelijke verantwoording ondergeschikt aan haar (politieke?) belang. De ingreep van Vogelaar heeft tot gevolg dat ook de norm voor niveau A2, van belang voor het inburgeringsexamen in Nederland, op dezelfde onwetenschappelijke manier ietwat wordt opgeschroefd. Maar in de brief wordt ook duidelijk gesteld dat de minister toegeeft dat zij niet kan overzien welke consequenties haar maatregel zullen hebben: het is niet te voorspellen hoe de percentages zakkers/slagers zullen veranderen…
De vorm en de inhoud van het examen blijven ongewijzigd.
Adap, 2 december 2007
Abonneren op:
Reacties (Atom)